Overdominantie of prepotentie

De invloed van de meiose op het nieuwe individu

Overdominantie ofwel prepotentie;

Hieronder een artikel over erfelijkheid zo eenvoudig mogelijk en dus op de hoofdlijnen weergegeven. Er zijn variaties binnen dit alles, maar zij zijn voor onze kweek niet bepalend.

Basisinformatie vooraf;

De erfelijke eigenschappen van de duif liggen vast op de genen. De genen liggen opgeslagen op de chromosomen. Per chromosoom zo’n 150 tot 1000 genen.  Een gen draagt bepaalde erfelijke eigenschappen. Een gen bestaat uit 2 delen en vormt een paar. Dit worden de alellen genoemd.

De chromosomen welke de genen dragen zitten op de celkern en in het celvocht daaromheen zitten de mitochondriën. Hierin vinden we ook erfelijke eigenschappen, die voornamelijk met de energievoorziening van hart, hersenen en longen te maken hebben

Tijdens de celdeling verdubbelen de cellen zich en groeit het individu.

Tijdens de geslachtelijke voortplanting gebeurt er iets anders. De chromosomen verdubbelen niet om vervolgens te splitsen, maar halveren zich om zich vervolgens te vermengen met de chromosomenhelft van de partnercel (cross over). Het erfelijk materiaal wordt door elkaar gehusseld en opnieuw gegroepeerd. Vervolgens groeit deze nieuwe samenstelling van het erfelijk materiaal van beide ouders uit tot een nieuw individu, met eigen unieke kenmerken.

Dit is de reden waarom broers en zussen binnen een gezin verschillen. Ze hebben dezelfde afstamming, maar de erfelijke eigenschappen van de (voor) ouders zijn anders verdeeld. Eeneiige tweelingen splitsen zich uit als individu na de meiose. De verschillen die er alsnog kunnen zijn, hebben o.a. te maken met mutatie, ontwikkeling en milieu.

Wat kun je hiermee in de duivenkweek?

Nu kan je je afvragen wat je als kweker met deze kennis aan moet. Welnu wetenschappelijk is vastgesteld dat eigenschappen het beste vererven als de bij elkaar passende genen zich vinden tijdens de ‘meiose’, ofwel specifiek ‘cross over’, het moment waarop de genen van doffer en duivin elkaar vinden. Kun je daar als kweker bij het samenstellen van de kweekkoppels rekening mee houden?

Ook daarover heeft de wetenschap een tipje van de sluier opgelicht. Zoals hierboven aangegeven, bevinden de genen zich op de chromosomen. Waar de genen bij beide ouders gelijkwaardig op de chromosomen gelegen zijn, vinden ze elkaar makkelijker. Dit geld nog veel sterker, wanneer tijdens de ‘meiose’, het om elkaar draaien van de chromosomenparen (zie afbeelding), de voor ons belangrijke genen dicht bij elkaar liggen tijdens het uitwisselen van het erfelijk materiaal.

Vanuit deze theorie kunnen we kijken naar de praktijk;

  • Duiven die in lijn gekweekt worden, geven gemakkelijker goede jongen dan duiven die geen familie van elkaar zijn. Hun genen zijn min of meer gelijk over de chromosomen verdeeld, zodat tijdens de meiose de allelen elkaar makkelijker vinden.
  • Excellente vliegers die hun kwaliteiten over meerdere generaties op hoog niveau doorgeven, zijn zeer geschikt om een familie mee op te bouwen. Zij geven hun super genen dominant door. Deze duiven kunnen soms met een partner, die met ander partners gekoppeld niets goeds gaven, toch goede nakomelingen geven. De nakweek zal dan meestal weer minder zijn.
  • Inteelt geeft over het algemeen goede kweekduiven. Oom x nicht en tante x neef zijn voor de kweek in dat opzicht ideale koppelingen. Steeds moeten we er op letten dat er geen inteeldschade optreedt. Dat de jongen van deze duiven aan onze criteria blijven voldoen. Kwekers die voor het vliegen er vervolgens 25% ‘vreemd’ bloed inbrengen, zorgen ervoor dat er ‘bastaardsterkte’ behouden blijft en de mogelijkheid om te profiteren van de extra kwaliteiten van een ander ras, zonder dat de genenstructuur op de chromosomen al te zeer wordt aangetast.

Bestaat er een zogenaamd  ‘snelheidsgen’?

 Het antwoord hierop is nee. Dit gen bestaat niet en kan dus nooit worden aangetoond. Ervan uit gaande dat de duif over zo’n 25.000 genen beschikt, mogen we niet verder gaan dan te stellen dat er binnen die genen een bepaalde clustering van samenwerkende en elkaar activerende genen is. Dit is een clustering van de goede eigenschappen, die nodig zijn om van een duif de kampioen op kweek en vlieg gebied te maken die wij wensen. Een superduif moet niet alleen intelligent zijn , maar ook karakter, vitaliteit, gezondheid, zachte pluim, een sterk geraamte en een soepel spierenstelsel hebben. Tevens daarnaast gevrijwaard zijn van verborgen erfelijke fouten, die wij op het oog niet kunnen waarnemen. Het zal duidelijk zijn, dat deze kwaliteiten niet van een enkel gen afhankelijk zijn, maar van duizenden genen die ook nog eens op de meest ideale manier gecombineerd en gerangschikt moeten zijn om zich optimaal te kunnen ontplooien. Gelukkig maar, want hier komt nu juist de uitdaging van het kunnen kweken van goede duiven om de hoek kijken. In de paardensport wordt wel gezegd; ‘fokken is geen gokken’, en zo is het maar net.

Hoe komt men dan bij de bewering om uit de genen van een dier de kwaliteit af te kunnen lezen? Dit kan maar op een manier opgeld doen en wel, doordat men bij een kwaliteitsdier een bepaald genenpatroon vaststelt en dit extrapoleert naar de nakomelingen. Op dit moment staat het genetisch onderzoek bij duiven nog zo in de kinderschoenen, dat we met te stellige uitspraken op dit terrein terughoudend moeten zijn. Het is al mooi dat in ieder geval de verwantschap van duiven, net als bij mensen, op deze wijze kan worden aangetoond. Doe je dit naar andere niet verwante duiven, dan ben je naar mijn mening met een vorm van speculatie bezig. Zo in de zin van; mijn kampioensduif heeft een kuifje, dus alle duiven met een kuif zijn  (waarschijnlijk) kampioenen. Hooguit zou je kunnen stellen dat de kuifjes die uit mijn kampioen gefokt worden, mogelijk de betere jongen zouden kunnen zijn. Zoals men vroeger de schalies de beste Jansenduiven vond, om dat die kleur alleen langs bij de ouderlijnen kan worden weergegeven en in die zin een dubbele terugslag naar het Janssensoort weergeeft.

Hoe doen we het op de Kroonduif?

Zoals eerder aangegeven hebben we een familie aangekocht en opgebouwd rond enkele dominante verervers. Ingebrachte kwaliteitsduiven worden aan deze families gelinkt. Vervolgens hebben we de mogelijkheid om tot in lengte van jaren met deze lijnen verder te werken. Zuiver voor de kweek en gekruist voor het vliegen

Doordat diverse kampioenen met onze duiven aan de vluchten deelnemen, worden ze in de beste omstandigheden  uitgetest . Op deze wijze komen we er snel achter wat goed combineert en wat niet pakt.

Hieronder 3 stamkaarten als voorbeeld van familiekweek, kruising en lijnteelt naar de ‘Kannibaal’. De 10-842 is zeer geconcentreerd gekweekt. In theorie kan zo’n duif over meerdere generaties zijn kwaliteiten doorzetten. Dit heeft de 10-842 ook gedaan. In 2013 vloog een kleinzoon van hem 3 keer aaneen een 1e prijs, waarvan 1 tegen meer dan 14.000 duiven.

Your Content Goes Here
Heeft u een vraag? Neem direct contact op