genen en hun werking

Geschikte genen en actuele prestaties!!!

Even herhalen;                                                                                                                                                             

Een individu (duif) is opgebouwd uit cellen, om en de nabij 100 miljard. Een cel bestaat uit een wand, een kern en celvocht. Op de celkern liggen de 40 lintvormige chromosomen. Deze chromosomen bevatten zo’n 25.000 genen. Deze genen  zijn dragers van de erfelijke eigenschappen.

Bij normale groei kopiëren de cellen (met chromosomen enz.) zich. Bij voortplanting echter splitsen de chromosomen zich in helften, om vervolgens zich te verbinden met de helften van de partner.

De genen husselen zich daarbij dusdanig door elkaar dat er een uniek nieuw individu ontstaat, met willekeurig eigenschappen van beide ouders geërfd. Deze willekeurige vermenging heet meiose.

Hierbij  3 stellingen  op basis van recent wetenschappelijk onderzoek;

  1. Genetische eigenschappen zijn niet statisch, maar dynamisch.
  2. Het doen en laten van een individu wordt voor 50 tot 75 % door de genen bepaald. De overige pakweg 35 % bestaat uit, wat wordt (aan)geleerd en besloten (het milieu).
  3. De innerlijke eigenschappen zijn belangrijker dan de uiterlijke bij prestatiedieren.

 Wat wordt er bedoeld met  stelling 1?                                                                                                                                             

Lange tijd werd er gedacht dat genen onveranderd van ouder op kind werden doorgegeven. Het enige wat er voor zorgde dat kinderen geen kloon van hun (voor)ouders waren, was de meiose en eventuele willekeurige mutaties. Tot professor Anker (de bekende Hongaarse geneticus) aan toe ging men van dit gegeven uit. Als een bepaalde soort zich uiterlijk aanpaste, nam men aan dat dit op basis van selectie was. Ofwel aanpassing aan het meest geschikte milieu. Een voorbeeld geeft professor Anker in zijn boek “De kunst van het kweken”. ( Dit uitmuntende werk is overigens een goudmijn voor allen die zich willen verdiepen in de erfelijke kwaliteiten bij postduiven. Professor Anker verrichtte met de toenmalige kennis van genetica, baanbrekend werk voor de postduivenliefhebbers, en niet alleen voor hen. Nog steeds is dit boekwerk relevant voor de hedendaagse fokker.  Er zijn enkele zaken waarin ik denk dat de wetenschap ons een andere weg wijst en wel de stelling dat dusdanig ingeteelde duiven die door de strenge inteelt klein en futloos worden, moeilijk leggen enz. de betere kwekers zijn. Dat deze gedegenereerde duiven i.c.m. zwaar ingeteelde duiven van een andere duivenstam superieure nakweek geven. Het kan uiteraard en zal vast eens een keer goed gaan, maar de kans dat je erfelijke fouten erin kweekt en opdubbelt, is veel groter. Je zult dus langdurige selectie moeten toepassen om je duiven hiervan weer te zuiveren. Zelf heb ik het meerdere malen geprobeerd met duiven afkomstig van superieure ouders, maar het leverde nogal veel afval op, zoals scheve poten en slappe lijven. Neurotische (zenuwzwakke) duiven met een slechte spijsvertering enz. Dit houdt in dat deze soort duiven veel erfelijke fouten in hun erfmassa  hadden, die door de inteelt aan het licht kwamen.  Inteelt is voor de fokker gereedschap en geen doel op zich. Het verschil tussen postduiven en ‘nutsdieren’ is nu eenmaal het gegeven dat het resultaat bij varkens (vlees) en schapen (wol) meteen zichtbaar is, maar bij duiven niet.

Het tweede waarvan ik denk dat de wetenschap inmiddels en andere richting aangeeft is dus wat u vind onder stelling 1. Ik citeer uit het nieuws van 21 december 2012; “Op de derde plaats op de lijst van wetenschappelijke hoogtepunten in 2012  staat de ontdekking dat het menselijk genoom is opgebouwd uit meer actieve dan inactieve onderdelen. Volgens de conclusies van het project is rond de 80 procent van het menselijk genoom, de cel die erfelijke informatie opslaat, actief. “Professor Anker verteld op bladzijde 191 van zijn boek dat de duiven die gehard worden in de natuur, wel geselecteerd worden op taaiheid, maar niet als bloedverversing kunnen dienen voor hun soortgenoten in de stad. Het gaat hier om een liefhebber die zijn duiven in de stad hield, maar ook een aantal koppels in zijn buitenhuis in de bossen. Hij zegt daar als volgt: ‘de natuurlijke omstandigheden konden alleen maar een gunstige uitwerking op zijn duiven hebben, maar op het doorgeven zou men niet kunnen rekenen, omdat de mate van vererven van die naar voren gekomen eigenschappen erg onzeker is’.  Waarom dit onzeker is, wordt vervolgens niet duidelijk. Wel op het gebied van bloedverversing, waarvan wordt aangegeven dat er minstens 3 generaties tussen moeten zitten, voordat men de geharde duiven, terugkoppelt aan hun stadse soortgenoten. Het feit dat de genen de opgedane informatie verwerken en opslaan om dit zo goed mogelijk aan hun nakomelingen door te geven, wordt hier nog niet opgemerkt, omdat dit nog niet bekend was in de zeventiger jaren. Het is inmiddels vastgesteld, dat de genen wel degelijk informatie uit het leven van de ouders opslaan, verwerken en doorgeven aan hun nageslacht, zodat deze er hun voordeel mee kan doen.

Diverse onderzoeken en studies die in diverse landen werden gedaan, lieten namelijk een ander beeld zien. Niet alleen het een, maar ook iets anders. Genen bleken namelijk te reageren op bepaalde levensomstandigheden. Gegevens hierover werden opgeslagen en aan het nageslacht door gegeven. Daarnaast blijken genen over een scala aan mogelijkheden te bezitten die als de omstandigheden daar om vragen, weer aan het licht kunnen treden. Denk aan een kip met tanden in de snavel. Op de genen van hoenderachtigen liggen deze kenmerken opgeslagen. Mocht het dus ooit nodig zijn, dan kan de kip zich aanpassen aan de veranderde omstandigheden.              

Het volgende voorbeeld wat ik wil geven, is dat van de vissen die in onderaardse meren gesignaleerd zijn. Deze enorme meren liggen diep in de aarde en zijn derhalve pikdonker. Ogen heb je niet nodig en dat hebben deze vissen dan ook niet. Toen deze vissen in het daglicht werden gehouden bleek na enkele generaties al, dat de ogen zich weer normaal ontwikkelden. Deze vissen passen zich aan, aan de nieuwe omgeving, waarin licht een belangrijke rol speelt en ogen heel erg nuttig zijn. Hieruit blijkt dat deze eigenschappen nog steeds op de genen liggen en tevoorschijn komen als het nodig is. Andere onderzoeken betreffen de relatie tussen ondervoeding in een generatie en overgewicht in de volgende  generaties. Ook alweer een voorbeeld, waarin genen eerdere ervaringen opslaan en het nageslacht hiermee willen helpen, ofwel  i.g.v. voedseloverschot er mee opzadelen.

Nu weer naar de duiven;                                                                                                                                                                                                 

Willen we dat de genen erfelijke kwaliteiten gaan vastleggen, benadrukken en versterkt doorgeven aan het nageslacht, dan zullen we ervoor moeten zorgen dat deze erfelijke kwaliteiten in onze kweekduiven aanwezig zijn, zodat de basis goed is. Vervolgens moeten we de wenselijke kwaliteiten scherp houden en, zo mogelijk verbeteren, doormiddel van training, oefening enz. Je kunt stellen, dat duivenstammen waaruit generatie na generatie wordt gekweekt, zonder ze scherp te houden op de wedvluchten, langzaam maar zeker aan erfkracht op de gewenste eigenschappen zullen inleveren. Dit, omdat hun genen niet scherp gehouden worden om de gewenste eigenschappen aan de volgende generaties door te geven. De interactieve genen zien er het nut niet van in om vaardigheden die toch niet worden gebruikt, voor het nageslacht veilig te stellen. Generatie na generatie, wordt de kans op goede nakweek kleiner. 

De fokkers die een goede en betrouwbare stam duiven  bezitten en deze van tijd tot tijd verrijken met hoogwaardige duiven, zijn op de goede weg.

Samenvattend is het belangrijk, om in de breedte een sterk kweekhok te hebben, waarin de, voor ons zo belangrijke genen, ruimschoots aanwezig zijn. De beste vliegers hieruit kunnen na geleverde topprestaties weer teruggezet worden op de beste verervers, om zo de erfelijke kwaliteiten zo hoog mogelijk te houden. Dus een top vlieger tegen een bewezen kweker. Om deze reden plannen we op de Kroonduif regelmatig een samenkweek van een topvlieger tegen een goede kweker.

genen en hun werking

Geschikte genen en actuele prestaties!!!

Even herhalen;                                                                                                                                                             

Een individu (duif) is opgebouwd uit cellen, om en de nabij 100 miljard. Een cel bestaat uit een wand, een kern en celvocht. Op de celkern liggen de 40 lintvormige chromosomen. Deze chromosomen bevatten zo’n 25.000 genen. Deze genen  zijn dragers van de erfelijke eigenschappen.

Bij normale groei kopiëren de cellen (met chromosomen enz.) zich. Bij voortplanting echter splitsen de chromosomen zich in helften, om vervolgens zich te verbinden met de helften van de partner.

De genen husselen zich daarbij dusdanig door elkaar dat er een uniek nieuw individu ontstaat, met willekeurig eigenschappen van beide ouders geërfd. Deze willekeurige vermenging heet meiose.

Hierbij  3 stellingen  op basis van recent wetenschappelijk onderzoek;

  1. Genetische eigenschappen zijn niet statisch, maar dynamisch.
  2. Het doen en laten van een individu wordt voor 50 tot 75 % door de genen bepaald. De overige pakweg 35 % bestaat uit, wat wordt (aan)geleerd en besloten (het milieu).
  3. De innerlijke eigenschappen zijn belangrijker dan de uiterlijke bij prestatiedieren.

 Wat wordt er bedoeld met  stelling 1?                                                                                                                                             

Lange tijd werd er gedacht dat genen onveranderd van ouder op kind werden doorgegeven. Het enige wat er voor zorgde dat kinderen geen kloon van hun (voor)ouders waren, was de meiose en eventuele willekeurige mutaties. Tot professor Anker (de bekende Hongaarse geneticus) aan toe ging men van dit gegeven uit. Als een bepaalde soort zich uiterlijk aanpaste, nam men aan dat dit op basis van selectie was. Ofwel aanpassing aan het meest geschikte milieu. Een voorbeeld geeft professor Anker in zijn boek “De kunst van het kweken”. ( Dit uitmuntende werk is overigens een goudmijn voor allen die zich willen verdiepen in de erfelijke kwaliteiten bij postduiven. Professor Anker verrichtte met de toenmalige kennis van genetica, baanbrekend werk voor de postduivenliefhebbers, en niet alleen voor hen. Nog steeds is dit boekwerk relevant voor de hedendaagse fokker.  Er zijn enkele zaken waarin ik denk dat de wetenschap ons een andere weg wijst en wel de stelling dat dusdanig ingeteelde duiven die door de strenge inteelt klein en futloos worden, moeilijk leggen enz. de betere kwekers zijn. Dat deze gedegenereerde duiven i.c.m. zwaar ingeteelde duiven van een andere duivenstam superieure nakweek geven. Het kan uiteraard en zal vast eens een keer goed gaan, maar de kans dat je erfelijke fouten erin kweekt en opdubbelt, is veel groter. Je zult dus langdurige selectie moeten toepassen om je duiven hiervan weer te zuiveren. Zelf heb ik het meerdere malen geprobeerd met duiven afkomstig van superieure ouders, maar het leverde nogal veel afval op, zoals scheve poten en slappe lijven. Neurotische (zenuwzwakke) duiven met een slechte spijsvertering enz. Dit houdt in dat deze soort duiven veel erfelijke fouten in hun erfmassa  hadden, die door de inteelt aan het licht kwamen.  Inteelt is voor de fokker gereedschap en geen doel op zich. Het verschil tussen postduiven en ‘nutsdieren’ is nu eenmaal het gegeven dat het resultaat bij varkens (vlees) en schapen (wol) meteen zichtbaar is, maar bij duiven niet.

Het tweede waarvan ik denk dat de wetenschap inmiddels en andere richting aangeeft is dus wat u vind onder stelling 1. Ik citeer uit het nieuws van 21 december 2012; “Op de derde plaats op de lijst van wetenschappelijke hoogtepunten in 2012  staat de ontdekking dat het menselijk genoom is opgebouwd uit meer actieve dan inactieve onderdelen. Volgens de conclusies van het project is rond de 80 procent van het menselijk genoom, de cel die erfelijke informatie opslaat, actief. “Professor Anker verteld op bladzijde 191 van zijn boek dat de duiven die gehard worden in de natuur, wel geselecteerd worden op taaiheid, maar niet als bloedverversing kunnen dienen voor hun soortgenoten in de stad. Het gaat hier om een liefhebber die zijn duiven in de stad hield, maar ook een aantal koppels in zijn buitenhuis in de bossen. Hij zegt daar als volgt: ‘de natuurlijke omstandigheden konden alleen maar een gunstige uitwerking op zijn duiven hebben, maar op het doorgeven zou men niet kunnen rekenen, omdat de mate van vererven van die naar voren gekomen eigenschappen erg onzeker is’.  Waarom dit onzeker is, wordt vervolgens niet duidelijk. Wel op het gebied van bloedverversing, waarvan wordt aangegeven dat er minstens 3 generaties tussen moeten zitten, voordat men de geharde duiven, terugkoppelt aan hun stadse soortgenoten. Het feit dat de genen de opgedane informatie verwerken en opslaan om dit zo goed mogelijk aan hun nakomelingen door te geven, wordt hier nog niet opgemerkt, omdat dit nog niet bekend was in de zeventiger jaren. Het is inmiddels vastgesteld, dat de genen wel degelijk informatie uit het leven van de ouders opslaan, verwerken en doorgeven aan hun nageslacht, zodat deze er hun voordeel mee kan doen.

Diverse onderzoeken en studies die in diverse landen werden gedaan, lieten namelijk een ander beeld zien. Niet alleen het een, maar ook iets anders. Genen bleken namelijk te reageren op bepaalde levensomstandigheden. Gegevens hierover werden opgeslagen en aan het nageslacht door gegeven. Daarnaast blijken genen over een scala aan mogelijkheden te bezitten die als de omstandigheden daar om vragen, weer aan het licht kunnen treden. Denk aan een kip met tanden in de snavel. Op de genen van hoenderachtigen liggen deze kenmerken opgeslagen. Mocht het dus ooit nodig zijn, dan kan de kip zich aanpassen aan de veranderde omstandigheden.              

Het volgende voorbeeld wat ik wil geven, is dat van de vissen die in onderaardse meren gesignaleerd zijn. Deze enorme meren liggen diep in de aarde en zijn derhalve pikdonker. Ogen heb je niet nodig en dat hebben deze vissen dan ook niet. Toen deze vissen in het daglicht werden gehouden bleek na enkele generaties al, dat de ogen zich weer normaal ontwikkelden. Deze vissen passen zich aan, aan de nieuwe omgeving, waarin licht een belangrijke rol speelt en ogen heel erg nuttig zijn. Hieruit blijkt dat deze eigenschappen nog steeds op de genen liggen en tevoorschijn komen als het nodig is. Andere onderzoeken betreffen de relatie tussen ondervoeding in een generatie en overgewicht in de volgende  generaties. Ook alweer een voorbeeld, waarin genen eerdere ervaringen opslaan en het nageslacht hiermee willen helpen, ofwel  i.g.v. voedseloverschot er mee opzadelen.

Nu weer naar de duiven;                                                                                                                                                                                                 

Willen we dat de genen erfelijke kwaliteiten gaan vastleggen, benadrukken en versterkt doorgeven aan het nageslacht, dan zullen we ervoor moeten zorgen dat deze erfelijke kwaliteiten in onze kweekduiven aanwezig zijn, zodat de basis goed is. Vervolgens moeten we de wenselijke kwaliteiten scherp houden en, zo mogelijk verbeteren, doormiddel van training, oefening enz. Je kunt stellen, dat duivenstammen waaruit generatie na generatie wordt gekweekt, zonder ze scherp te houden op de wedvluchten, langzaam maar zeker aan erfkracht op de gewenste eigenschappen zullen inleveren. Dit, omdat hun genen niet scherp gehouden worden om de gewenste eigenschappen aan de volgende generaties door te geven. De interactieve genen zien er het nut niet van in om vaardigheden die toch niet worden gebruikt, voor het nageslacht veilig te stellen. Generatie na generatie, wordt de kans op goede nakweek kleiner. 

De fokkers die een goede en betrouwbare stam duiven  bezitten en deze van tijd tot tijd verrijken met hoogwaardige duiven, zijn op de goede weg.

Samenvattend is het belangrijk, om in de breedte een sterk kweekhok te hebben, waarin de, voor ons zo belangrijke genen, ruimschoots aanwezig zijn. De beste vliegers hieruit kunnen na geleverde topprestaties weer teruggezet worden op de beste verervers, om zo de erfelijke kwaliteiten zo hoog mogelijk te houden. Dus een top vlieger tegen een bewezen kweker. Om deze reden plannen we op de Kroonduif regelmatig een samenkweek van een topvlieger tegen een goede kweker.